Buy premium account for $1.99 ($3.99)
Results for: the outlaws 1975
Sort: relevance date size popularity Filter hosting sites: all rapidshare.com megaupload.com depositfiles.com filefactory.com
megashares.com badongo.com filefront.com savefile.com yousendit.com easy-share.com dump.ru przeklej.pl zippyshare.com files.to mediafire.com mihd.net mybloop.com odsiebie.com rnbload.com share-online.biz vip-file.com netload.in 4shared.com uploaded.to letitbit.com allshares.ge
more... Outlaws - 1975 - The Outlaws
2009-03-12 - extension: rar - size: 57 MB
Outlaws - 1975 - The Outlaws
Hosted on: rapidshare.com
Outlaws - 1975 - The Agora Ballroom Cleveland OH 1975
2009-03-12 - extension: rar - size: 37 MB
Outlaws - 1975 - The Agora Ballroom Cleveland OH 1975
Hosted on: rapidshare.com
Video results for: the outlaws 1975More results from video
I'm A Ramblin Man
Buck Norris sings "I'm A Ramblin Man" by Waylon Jennings. Waylon Jennings was born (More) Buck Norris sings "I'm A Ramblin Man" by Waylon Jennings. Waylon Jennings was born in the hardscrabble West Texas town of Littlefield on June 15, 1937. He learned to play guitar and snagged a disc jockey job at a Littlefield station while still a boy. In 1958 he moved to Lubbock, where he worked as a DJ and met rising star Buddy Holly, with whom he toured and played electric bass during 1958 and 1959. It was Jennings who gave up his seat to the Big Bopper (J. P. Richardson) on the doomed 1959 plane flight that took the lives of Holly, Richardson, and singer Ritchie Valens. The disaster stunned Jennings and it took him several years to regain his momentum. But his time with Holly had been pivotal: "Mainly what I learned from Buddy," Jennings recalled, "was an attitude. He loved music, and he taught me that it shouldn't have any barriers to it." After working West Texas radio again, Jennings began performing at a bar called J. D.'s in Phoenix, Ariz. There he began to craft a sound that combined his aggressive Telecaster electric guitar style, his rough-edged vocals, and an eclectic repertoire that often borrowed from rockabilly, rock and folk. And it was there that Nashville-based Bobby Bare, then a country hitmaker for RCA Records, heard Jennings and immediately called RCA producer Chet Atkins. Although Jennings had already recorded some country-folk sides for A&M Records in Los Angeles, A&M agreed to let Atkins sign him, and his first RCA session took place in March 1965. Over the next five years, Jennings won mainstream country stardom with hits like "Only Daddy That'll Walk the Line," "Brown Eyed Handsome Man" and "The Taker." Though it wasn't typical of his work, his rendition of "MacArthur Park" (recorded with the Kimberlys), won a 1969 Grammy for Best Country Performance by a Duo or Group. Despite his achievements, the high-spirited Jennings chafed under Nashville's typical production process, in which salaried staff producers chose song material and session musicians and recorded artists in company studios. Gradually he won the right to choose his own songs, producers, and sidemen (often his road band), in the process turning out albums like 1973's Lonesome, On'ry and Mean and Honky Tonk Heroes, which showcased the hard-hitting, stripped-down music he much preferred to pop-tinged Nashville Sound productions. Hit singles such as "I'm a Ramblin' Man" and "Are You Sure Hank Done It This Way" also exemplified his hard-charging, rock-influenced style. In 1975 he won CMA's male vocalist of the year award. By this time Jennings was extending his audience to embrace hordes of college-age fans, who flocked to see him at venues including Willie Nelson's free-wheeling outdoor music festivals at Dripping Springs, Texas. In 1976, both artists soared to even more dizzying heights with the RCA release Wanted! The Outlaws. Featuring Jennings, Nelson, Tompall Glaser, and Jennings's wife, Jessi Colter, it became the first country album to be certified platinum. By the turn of the 21st century, 13 additional Jennings albums (including duet projects) had sold half a million copies or more. As the '70s progressed, Jennings and Nelson recorded duet albums and crossover hits like "Luckenbach, Texas" and "Mammas Don't Let Your Babies Grow Up to Be Cowboys," which won a 1978 Grammy for Best Country Vocal Performance by a Duo or Group. Jennings himself rode high on the charts into the late 1980s, chalking up No. 1 singles including "I've Always Been Crazy," "Amanda," "I Ain't Living Long Like This" and "Lucille (You Won't Do Your Daddy's Will)." During many of these same years, the TV series The Dukes of Hazzard --- for which Jennings wrote and sang the theme song and served as offscreen narrator --- further popularized his sound and the trademark image of his leather-covered guitar. While Jennings was selling albums in numbers previously associated with rock stars, his excessive lifestyle also resembled those of many rock icons. Substance abuse eroded his career for a time, but he eventually beat this problem and stabilized his personal life. (Less)
Willie Nelson Pretty Pape
William Hugh ("Willie") Nelson (Abbott, Texas, 30 april 1933) is een Amerikaanse (More) William Hugh ("Willie") Nelson (Abbott, Texas, 30 april 1933) is een Amerikaanse countryzanger, gitarist en liedjesschrijver. Hij groeide op in Fort Worth. Nelson en zijn zus Bobbie Lee werden, nadat hun vader overleden en hun moeder weggelopen was, door hun grootouders opgevoed. Nelson kreeg vanaf zijn zesde jaar muziekles via een schriftelijke cursus. Hij leerde gitaarspelen, zijn zus speelde piano. Tijdens hun middelbareschooltijd leerde Bobbie Bud Fletcher kennen, een violist, en zowel Willie als Bobbie gingen deel uit maken van Fletchers muziekgezelschap "The Bohemian Fiddlers". Na zijn eindexamen moest Nelson in dienst, en hij ging bij de luchtmacht. Hij verliet de luchtmacht echter al snel in verband met rugklachten. Na zijn korte diensttijd ging Nelson een jaar naar de universiteit maar hield ook dat voor gezien. Uiteindelijk werd hij diskjockey bij een country radiozender in Fort Worth, Texas. Ook zong hij af en toe country liedjes in de plaatselijke cafés. In 1956 verhuisde hij naar Vancouver, Washington en begon zijn muzikale carrière vorm te krijgen. Hij nam een nummer van Leon Payne op ("Lumberjack"). De single verkocht redelijk maar brak niet echt door. Nelson bleef dj-werk doen en zong regelmatig in clubs en cafés. Hij schreef een liedje ("Family Bible") en verkocht dat voor vijftig dollar, en dat nummer werd een hit voor Claude Grey in 1960. Het werd naderhand ook door veel artiesten gecoverd en word door velen beschouwd als een gospel klassieker. Nelson verhuisde naar Nashville (Tennessee) in een poging een platencontract te krijgen. Dat lukte aanvankelijk echter niet. Hij tekende wel een contract met Pamper Music die zijn liedjes wel zagen zitten, maar zijn performance niet. Zo schreef hij onder andere het nummer Night Life voor zanger Ray Price, een nummer dat als meest-gecoverde countrysong ooit te boek staat. Nelson ging mee op tournee met Price, als bassist van de toerband. Gedurende deze periode werden veel van Nelson's nummers hits voor andere artiesten. Zo zong Billy Walker het nummer "Funny How Time Slips Away", Faron Young zong "Hello Walls", Roy Orbison zong "Pretty Paper", en (wellicht de bekendste van allemaal) Patsy Cline zong "Crazy". Uiteindelijk sloot Nelson in 1961 een platendeal met Liberty Records en bracht hij vanaf datzelfde jaar diverse singles uit, waaronder "Willingly" en "Touch Me" (beiden met zijn vrouw Shirley Collie). Hij wist deze lijn echter niet voort te zetten en zijn carrière kwam tot stilstand. Zijn privéleven was destijds ook nogal kleurrijk: hij was alcoholist, verloor baan na baan en werd verschillende keren betrapt op verboden wapenbezit. In 1965 kwam Nelson onder contract bij RCA Records, en scoorde hij een paar kleine hits. Hij raakte echter gefrustreerd door de platenindustrie die hem in een keurslijf probeerde te dwingen, verbrak zijn contract, keerde de muziekwereld de rug toe en verhuisde naar Austin, Texas. Daar aangekomen besloot Nelson, geïnspireerd door de muziekscene aldaar, weer muziek te gaan maken. Zijn populariteit in Austin groeide razendsnel, en Nelson kon zijn eigen muziek maken, beïnvloed door rock and roll, jazz, swing en folk. Ook Nelson's levenslange passie voor hardlopen begon in deze periode in Austin. In Austin tekende Nelson een contract met Atlantic Records. Hij bracht in 1973 een single uit ("Shotgun Willie") die uitstekende kritieken kreeg maar slechts matig verkocht. Het album "Phases and Stages" uit 1974 (geïnspireerd door zijn echtscheiding) bevatte de single "Bloody Mary Morning". Na dit album verhuisde Nelson weer van platenlabel en ging naar Columbia Records. Hier kreeg hij complete creatieve vrijheid over zijn werk. Het resultaat was het immens populaire album Red Headed Stranger (1975). Hoewel Columbia Records het in eerste instantie niet zag zitten om een album uit te brengen met slechts piano en gitaar, zette Nelson (ondersteund door Waylon Jennings) door, en het album werd een enorme hit, deels vanwege de populaire coverversie van het nummer "Blue Eyes Crying In The Rain". Tegelijk met Nelson behaalde ook Waylon Jennings grote successen aan het begin van de jaren zeventig. De twee werden al snel in één adem genoemd in een genre dat bekend werd als "Outlaw country" ("outlaw" vanwege het feit dat het zich niet hield aan de Nashville-standaard). Nelson's imago van "outlaw" (letterlijk: vogelvrij verklaarde) kreeg nog meer gestalte toen in 1976 hij samen met Waylon Jennings, Jessie Colter en Tompall Glaser het album "Wanted: The Outlaws" uitbracht. Dit album werd een groot succes en werd met platina bekroond. Hierna bracht Nelson nog twee albums uit die beiden de platina status behaalden: "Waylon and Willie" (met Waylon Jennings), en "Stardust", een album vol met ongebruikelijke, op strijkinstrumenten gebaseerde popnummers die geproduceerd waren door Booker T. Jones. Veel critici voorspelden dat "Stardust" Nelsons carrière zou ruïneren, maar uiteindelijk bleek het één van zijn meest succesvolle albums te zijn. Nelson begon in 1979 met acteren. Hij had rollen in "The Electric Horseman", "Honeysuckle Rose", "Barbarossa", "Red-Headed Stranger", "Wag the Dog" en "Gone Fishin". In 1986 acteerde hij in de film "Stagecoach", naast Johnny Cash, Kris Kristofferson en Waylon Jennings, waarmee hij later ook de country-supergroep The Highwaymen vormde. Nelson acteert nog steeds, maar treedt tegenwoordig meestal aan in kleine rollen. Ook gastoptredens zoals in Miami Vice en The Simpsons gaat Nelson niet uit de weg. Zijn meest recente filmoptreden is zijn rol van Uncle Jesse in de bioscoop-remake van The Dukes of Hazzard. Ook in de voor 2007 geplande opvolger "The Dukes of Hazzard: Return of General Lee" speelt Nelson mee. In de jaren tachtig had Nelson diverse hits. Hij zong "Always On My Mind" de hitparades in, en ook het duet "To All The Girls I've Loved Before" (met Julio Iglesias) haalde wereldwijd hoge hitnoteringen. Ook zijn albums uit deze periode verkochten goed. Medio jaren tachtig vormde Nelson samen met Kris Kristofferson, Waylon Jennings en Johnny Cash de supergroep "The Highwaymen". Ondanks hun enorme succes (platina albums, wereldtoernees) taande Nelson's populariteit en moest hij het al snel hebben van liefdadigheidswerk zoals het op poten zetten van de "Farm Aid" concerten in 1985. Hij werd ook berucht vanwege zijn excessieve uitgaven: hij bezat een privé-vliegtuig, een eigen (kleine) stad, een enorm landgoed en een eigen golfbaan. In 1990 kreeg Nelson van de IRS (de Amerikaanse inkomstenbelastingen) echter een aanslag voor achterstallige belastingen en moest hij $16.7 miljoen ophoesten. Hij kon dit slechts betalen door zijn bezittingen van de hand te doen. Hij bracht een dubbelalbum uit ("The IRS Tapes: Who'll Buy My Memories?"), waarvan de opbrengsten rechtstreeks naar de IRS gingen. Veel van zijn bezittingen werden geveild en verkocht aan vrienden die het hem vervolgens weer teruggaven of voor een symbolisch bedrag aan hem verhuurden. In 1993 had hij al zijn schulden afbetaald. In september 2006 werd Nelson in Louisiana aangehouden voor het bezit van drugs. In de tourbus van zijn band vond de politie 100 gram 'magic mushrooms' en 700 gram marihuana.[1] Nelson werd snel weer vrijgelaten, maar zal zich voor de rechtbank moeten verantwoorden. In 2005 vormde Nelson samen met twee zakenpartners het bedrijf Willie Nelson's Biodiesel (ook bekend als "BioWillie"). Dit bedrijf verkoopt biologische brandstof aan tankstations. De brandstof wordt gemaakt van soja-olie en kan in dieselmotoren worden gebruikt zonder dat die daarvoor aangepast dienen te worden. Nelson maakt ook deel uit van een adviescommissie die poogt het gebruik van Cannabis te normaliseren. In 2005 organiseerde Nelson samen met zijn familie een benefiet-golftoernooi om de problematiek veroorzaakt door illegale verkoop van softdrugs onder de aandacht te brengen. Nelson lijkt zelf niet helemaal onbekend met het fenomeen: het gerucht gaat dat hij tijdens een bezoek aan president Jimmy Carter op het dak van het Witte Huis een blowtje heeft gerookt. In januari 2005 trad Nelson als slotact op tijdens een benefietconcert waarvan de opbrengsten ($120.000.-) naar de door de tsunami getroffen gebieden in Zuidoost-Azië gingen. Nelson is vier keer getrouwd geweest en heeft acht kinderen. Uit zijn eerste huwelijk met Martha Matthews heeft hij drie kinderen - Lana, Susie en Billy (overleden in 1991. Nelson scheidde van Matthews in 1962. Van 1963 tot 1971 was hij getrouwd met Shirley Collie. Dit huwelijk bleef kinderloos. In 1971 trouwde hij met Connie Koepke. Zij kreeg twee dochters, Paula Carlene en Amy. Het paar scheidde in 1988. Sinds 1991 is Nelson getrouwd met Annie D'Angelo. Ze hebben twee zoons, Lukas Autry en Jacob Micah (Less)
I'm A Ramblin Man Buck Norris sings "I'm A Ramblin Man" by Waylon Jennings. Waylon Jennings was born (More) Buck Norris sings "I'm A Ramblin Man" by Waylon Jennings. Waylon Jennings was born in the hardscrabble West Texas town of Littlefield on June 15, 1937. He learned to play guitar and snagged a disc jockey job at a Littlefield station while still a boy. In 1958 he moved to Lubbock, where he worked as a DJ and met rising star Buddy Holly, with whom he toured and played electric bass during 1958 and 1959. It was Jennings who gave up his seat to the Big Bopper (J. P. Richardson) on the doomed 1959 plane flight that took the lives of Holly, Richardson, and singer Ritchie Valens. The disaster stunned Jennings and it took him several years to regain his momentum. But his time with Holly had been pivotal: "Mainly what I learned from Buddy," Jennings recalled, "was an attitude. He loved music, and he taught me that it shouldn't have any barriers to it." After working West Texas radio again, Jennings began performing at a bar called J. D.'s in Phoenix, Ariz. There he began to craft a sound that combined his aggressive Telecaster electric guitar style, his rough-edged vocals, and an eclectic repertoire that often borrowed from rockabilly, rock and folk. And it was there that Nashville-based Bobby Bare, then a country hitmaker for RCA Records, heard Jennings and immediately called RCA producer Chet Atkins. Although Jennings had already recorded some country-folk sides for A&M Records in Los Angeles, A&M agreed to let Atkins sign him, and his first RCA session took place in March 1965. Over the next five years, Jennings won mainstream country stardom with hits like "Only Daddy That'll Walk the Line," "Brown Eyed Handsome Man" and "The Taker." Though it wasn't typical of his work, his rendition of "MacArthur Park" (recorded with the Kimberlys), won a 1969 Grammy for Best Country Performance by a Duo or Group. Despite his achievements, the high-spirited Jennings chafed under Nashville's typical production process, in which salaried staff producers chose song material and session musicians and recorded artists in company studios. Gradually he won the right to choose his own songs, producers, and sidemen (often his road band), in the process turning out albums like 1973's Lonesome, On'ry and Mean and Honky Tonk Heroes, which showcased the hard-hitting, stripped-down music he much preferred to pop-tinged Nashville Sound productions. Hit singles such as "I'm a Ramblin' Man" and "Are You Sure Hank Done It This Way" also exemplified his hard-charging, rock-influenced style. In 1975 he won CMA's male vocalist of the year award. By this time Jennings was extending his audience to embrace hordes of college-age fans, who flocked to see him at venues including Willie Nelson's free-wheeling outdoor music festivals at Dripping Springs, Texas. In 1976, both artists soared to even more dizzying heights with the RCA release Wanted! The Outlaws. Featuring Jennings, Nelson, Tompall Glaser, and Jennings's wife, Jessi Colter, it became the first country album to be certified platinum. By the turn of the 21st century, 13 additional Jennings albums (including duet projects) had sold half a million copies or more. As the '70s progressed, Jennings and Nelson recorded duet albums and crossover hits like "Luckenbach, Texas" and "Mammas Don't Let Your Babies Grow Up to Be Cowboys," which won a 1978 Grammy for Best Country Vocal Performance by a Duo or Group. Jennings himself rode high on the charts into the late 1980s, chalking up No. 1 singles including "I've Always Been Crazy," "Amanda," "I Ain't Living Long Like This" and "Lucille (You Won't Do Your Daddy's Will)." During many of these same years, the TV series The Dukes of Hazzard --- for which Jennings wrote and sang the theme song and served as offscreen narrator --- further popularized his sound and the trademark image of his leather-covered guitar. While Jennings was selling albums in numbers previously associated with rock stars, his excessive lifestyle also resembled those of many rock icons. Substance abuse eroded his career for a time, but he eventually beat this problem and stabilized his personal life. (Less)
Willie Nelson Pretty Pape William Hugh ("Willie") Nelson (Abbott, Texas, 30 april 1933) is een Amerikaanse (More) William Hugh ("Willie") Nelson (Abbott, Texas, 30 april 1933) is een Amerikaanse countryzanger, gitarist en liedjesschrijver. Hij groeide op in Fort Worth. Nelson en zijn zus Bobbie Lee werden, nadat hun vader overleden en hun moeder weggelopen was, door hun grootouders opgevoed. Nelson kreeg vanaf zijn zesde jaar muziekles via een schriftelijke cursus. Hij leerde gitaarspelen, zijn zus speelde piano. Tijdens hun middelbareschooltijd leerde Bobbie Bud Fletcher kennen, een violist, en zowel Willie als Bobbie gingen deel uit maken van Fletchers muziekgezelschap "The Bohemian Fiddlers". Na zijn eindexamen moest Nelson in dienst, en hij ging bij de luchtmacht. Hij verliet de luchtmacht echter al snel in verband met rugklachten. Na zijn korte diensttijd ging Nelson een jaar naar de universiteit maar hield ook dat voor gezien. Uiteindelijk werd hij diskjockey bij een country radiozender in Fort Worth, Texas. Ook zong hij af en toe country liedjes in de plaatselijke cafés. In 1956 verhuisde hij naar Vancouver, Washington en begon zijn muzikale carrière vorm te krijgen. Hij nam een nummer van Leon Payne op ("Lumberjack"). De single verkocht redelijk maar brak niet echt door. Nelson bleef dj-werk doen en zong regelmatig in clubs en cafés. Hij schreef een liedje ("Family Bible") en verkocht dat voor vijftig dollar, en dat nummer werd een hit voor Claude Grey in 1960. Het werd naderhand ook door veel artiesten gecoverd en word door velen beschouwd als een gospel klassieker. Nelson verhuisde naar Nashville (Tennessee) in een poging een platencontract te krijgen. Dat lukte aanvankelijk echter niet. Hij tekende wel een contract met Pamper Music die zijn liedjes wel zagen zitten, maar zijn performance niet. Zo schreef hij onder andere het nummer Night Life voor zanger Ray Price, een nummer dat als meest-gecoverde countrysong ooit te boek staat. Nelson ging mee op tournee met Price, als bassist van de toerband. Gedurende deze periode werden veel van Nelson's nummers hits voor andere artiesten. Zo zong Billy Walker het nummer "Funny How Time Slips Away", Faron Young zong "Hello Walls", Roy Orbison zong "Pretty Paper", en (wellicht de bekendste van allemaal) Patsy Cline zong "Crazy". Uiteindelijk sloot Nelson in 1961 een platendeal met Liberty Records en bracht hij vanaf datzelfde jaar diverse singles uit, waaronder "Willingly" en "Touch Me" (beiden met zijn vrouw Shirley Collie). Hij wist deze lijn echter niet voort te zetten en zijn carrière kwam tot stilstand. Zijn privéleven was destijds ook nogal kleurrijk: hij was alcoholist, verloor baan na baan en werd verschillende keren betrapt op verboden wapenbezit. In 1965 kwam Nelson onder contract bij RCA Records, en scoorde hij een paar kleine hits. Hij raakte echter gefrustreerd door de platenindustrie die hem in een keurslijf probeerde te dwingen, verbrak zijn contract, keerde de muziekwereld de rug toe en verhuisde naar Austin, Texas. Daar aangekomen besloot Nelson, geïnspireerd door de muziekscene aldaar, weer muziek te gaan maken. Zijn populariteit in Austin groeide razendsnel, en Nelson kon zijn eigen muziek maken, beïnvloed door rock and roll, jazz, swing en folk. Ook Nelson's levenslange passie voor hardlopen begon in deze periode in Austin. In Austin tekende Nelson een contract met Atlantic Records. Hij bracht in 1973 een single uit ("Shotgun Willie") die uitstekende kritieken kreeg maar slechts matig verkocht. Het album "Phases and Stages" uit 1974 (geïnspireerd door zijn echtscheiding) bevatte de single "Bloody Mary Morning". Na dit album verhuisde Nelson weer van platenlabel en ging naar Columbia Records. Hier kreeg hij complete creatieve vrijheid over zijn werk. Het resultaat was het immens populaire album Red Headed Stranger (1975). Hoewel Columbia Records het in eerste instantie niet zag zitten om een album uit te brengen met slechts piano en gitaar, zette Nelson (ondersteund door Waylon Jennings) door, en het album werd een enorme hit, deels vanwege de populaire coverversie van het nummer "Blue Eyes Crying In The Rain". Tegelijk met Nelson behaalde ook Waylon Jennings grote successen aan het begin van de jaren zeventig. De twee werden al snel in één adem genoemd in een genre dat bekend werd als "Outlaw country" ("outlaw" vanwege het feit dat het zich niet hield aan de Nashville-standaard). Nelson's imago van "outlaw" (letterlijk: vogelvrij verklaarde) kreeg nog meer gestalte toen in 1976 hij samen met Waylon Jennings, Jessie Colter en Tompall Glaser het album "Wanted: The Outlaws" uitbracht. Dit album werd een groot succes en werd met platina bekroond. Hierna bracht Nelson nog twee albums uit die beiden de platina status behaalden: "Waylon and Willie" (met Waylon Jennings), en "Stardust", een album vol met ongebruikelijke, op strijkinstrumenten gebaseerde popnummers die geproduceerd waren door Booker T. Jones. Veel critici voorspelden dat "Stardust" Nelsons carrière zou ruïneren, maar uiteindelijk bleek het één van zijn meest succesvolle albums te zijn. Nelson begon in 1979 met acteren. Hij had rollen in "The Electric Horseman", "Honeysuckle Rose", "Barbarossa", "Red-Headed Stranger", "Wag the Dog" en "Gone Fishin". In 1986 acteerde hij in de film "Stagecoach", naast Johnny Cash, Kris Kristofferson en Waylon Jennings, waarmee hij later ook de country-supergroep The Highwaymen vormde. Nelson acteert nog steeds, maar treedt tegenwoordig meestal aan in kleine rollen. Ook gastoptredens zoals in Miami Vice en The Simpsons gaat Nelson niet uit de weg. Zijn meest recente filmoptreden is zijn rol van Uncle Jesse in de bioscoop-remake van The Dukes of Hazzard. Ook in de voor 2007 geplande opvolger "The Dukes of Hazzard: Return of General Lee" speelt Nelson mee. In de jaren tachtig had Nelson diverse hits. Hij zong "Always On My Mind" de hitparades in, en ook het duet "To All The Girls I've Loved Before" (met Julio Iglesias) haalde wereldwijd hoge hitnoteringen. Ook zijn albums uit deze periode verkochten goed. Medio jaren tachtig vormde Nelson samen met Kris Kristofferson, Waylon Jennings en Johnny Cash de supergroep "The Highwaymen". Ondanks hun enorme succes (platina albums, wereldtoernees) taande Nelson's populariteit en moest hij het al snel hebben van liefdadigheidswerk zoals het op poten zetten van de "Farm Aid" concerten in 1985. Hij werd ook berucht vanwege zijn excessieve uitgaven: hij bezat een privé-vliegtuig, een eigen (kleine) stad, een enorm landgoed en een eigen golfbaan. In 1990 kreeg Nelson van de IRS (de Amerikaanse inkomstenbelastingen) echter een aanslag voor achterstallige belastingen en moest hij $16.7 miljoen ophoesten. Hij kon dit slechts betalen door zijn bezittingen van de hand te doen. Hij bracht een dubbelalbum uit ("The IRS Tapes: Who'll Buy My Memories?"), waarvan de opbrengsten rechtstreeks naar de IRS gingen. Veel van zijn bezittingen werden geveild en verkocht aan vrienden die het hem vervolgens weer teruggaven of voor een symbolisch bedrag aan hem verhuurden. In 1993 had hij al zijn schulden afbetaald. In september 2006 werd Nelson in Louisiana aangehouden voor het bezit van drugs. In de tourbus van zijn band vond de politie 100 gram 'magic mushrooms' en 700 gram marihuana.[1] Nelson werd snel weer vrijgelaten, maar zal zich voor de rechtbank moeten verantwoorden. In 2005 vormde Nelson samen met twee zakenpartners het bedrijf Willie Nelson's Biodiesel (ook bekend als "BioWillie"). Dit bedrijf verkoopt biologische brandstof aan tankstations. De brandstof wordt gemaakt van soja-olie en kan in dieselmotoren worden gebruikt zonder dat die daarvoor aangepast dienen te worden. Nelson maakt ook deel uit van een adviescommissie die poogt het gebruik van Cannabis te normaliseren. In 2005 organiseerde Nelson samen met zijn familie een benefiet-golftoernooi om de problematiek veroorzaakt door illegale verkoop van softdrugs onder de aandacht te brengen. Nelson lijkt zelf niet helemaal onbekend met het fenomeen: het gerucht gaat dat hij tijdens een bezoek aan president Jimmy Carter op het dak van het Witte Huis een blowtje heeft gerookt. In januari 2005 trad Nelson als slotact op tijdens een benefietconcert waarvan de opbrengsten ($120.000.-) naar de door de tsunami getroffen gebieden in Zuidoost-Azië gingen. Nelson is vier keer getrouwd geweest en heeft acht kinderen. Uit zijn eerste huwelijk met Martha Matthews heeft hij drie kinderen - Lana, Susie en Billy (overleden in 1991. Nelson scheidde van Matthews in 1962. Van 1963 tot 1971 was hij getrouwd met Shirley Collie. Dit huwelijk bleef kinderloos. In 1971 trouwde hij met Connie Koepke. Zij kreeg twee dochters, Paula Carlene en Amy. Het paar scheidde in 1988. Sinds 1991 is Nelson getrouwd met Annie D'Angelo. Ze hebben twee zoons, Lukas Autry en Jacob Micah (Less)
Bookmark FilesTube
Link to FilesTube
Show your support by placing a link to filestube.com on your website and favorite forums.- 1. jingle all the way
- 2. mike penner
- 3. the devil and daniel webster
- 4. the mortal storm
- 5. southern university
- 6. the wrestler
- 7. grace jones
- 8. a boy named charlie brown
- 9. bayou classic 2009
- 10. the santa clause 2
- 11. tj miller
- 12. the national tree movie
More...
- 1. sex 3gp
- 2. lady sonia
- 3. hentai
- 4. arab
- 5. filetube
- 6. nudist
- 7. mixed wrestling
- 8. abby winters
- 9. lady gaga bad romance
- 10. sean cody
- 11. them crooked vultures
- 12. scat
More...
- 1. still waiting
- 2. grace jones
- 3. grand canyon skywalk
- 4. southern university
- 5. starfish prime
- 6. the family stone
- 7. yowza
- 8. bedknobs and broomsticks
- 9. yummy tummy
- 10. auburn university
- 11. gearz tv
- 12. jenna wolfe
More...
- 1. texas a m
- 2. yowza
- 3. carb cycling
- 4. old navy
- 5. ziggy marley
- 6. roku
- 7. staples coupons
- 8. herbergers
- 9. pat summerall
- 10. meijer
- 11. scott hamilton
- 12. megan fox boyfriend
More...
- 1. filetube
- 2. wmforce
- 3. hentai
- 4. abby winters
- 5. lady sonia
- 6. nudist
- 7. mixed wrestling
- 8. scat
- 9. tudung
- 10. windows 7
- 11. milena velba
- 12. sean cody
More...
- 1. filetube
- 2. scat
- 3. hentai
- 4. muse the resistance
- 5. lady sonia
- 6. sean cody
- 7. abby winters
- 8. ballbusting
- 9. tudung
- 10. nudist
- 11. madonna celebration
- 12. 12chan
More...





